Informatie over erfelijkheid


Logo NVBS


Spring direct naar de tekst





1. Basisprincipes

In een bevruchte eicel bevinden zich 23 chromosomen van vader en 23 chromosomen van moeder. In iedere lichaamscel, of dat nu een huidcel is of een netvliescel, bevinden zich dus 23 paar = 46 chromosomen. De chromosoom-paren zijn genummerd van 1 tot 22, van groot naar klein. Het 23-ste chromosoomenpaar is voor vrouwen en mannen verschillend. Bij vrouwen bestaat dit uit tweemaal een x-chromosoom en bij mannen uit een x- en een y-chromosoom.
Geeftt de man tijdens de conceptie een x-chromosoom, dan wordt het kind een meisje. Geeft hij een y-chromosoom, dan wordt het een jongen.
Op de 46 chromosomen samen bevinden zich circa 25000 genen, in casu ca. 12500 genen zijn afkomstig van de moeder en 12500 van de vader. De mens heeft dus van alle chromosomen, behalve het X-chromosoom bij de man, twee kopieën. We hebben dus ook van ieder gen twee kopieën. Elk gen bevat de code van een apart eiwit. Eiwitten zijn de bouwstenen van ons lichaam.

2. Dominante overerving

Bij een dominante ziekte draagt de patiënt een afwijking in één van de twee chromosomen waarop de mutatie zich bevindt, dus de kans dat een kind van deze patiënt dezelfde genafwijking krijgt is 50%. Bij een dominante erfelijke ziekte verschijnt dus meestal in meerdere generaties de betreffende ziekte (Figuur 1). De term ‘dominant’ geeft aan dat de defecte versie van een eiwit (50% van het eiwitproduct) een negatief effect heeft op de normale versie (50% van het eiwitproduct) van het eiwit dat wordt gecodeerd door het gen op het ‘normale’ chromosoom.
Figuur 1

3. Recessieve overerving

Bij een recessieve erfelijke ziekte draagt de patiënt in beide genkopieën een defect. Beide ouders dragen in één van de twee genkopieën een defect, maar ze zijn zelf gezond. De kinderen van een patiënt zijn in de regel ook gezond hoewel ze steeds één defect gen erven (Figuur 2).
Figuur 2

4. Geslachtsgebonden (= x-gebonden) overerving

Bij X-gebonden aandoeningenzijn in de regel alleen mannen aangedaan. Zij dragen immers 1 X chromosoom, afkomstig van de moeder, en een geslachtsbepalend Y chromosoom, afkomstig van de vader. Noot: De y-chromosoom bevat nauwelijks genetische informatie! De mannelijke patiënt krijgt dus zijn defect altijd van zijn moeder (Figuur 3). De moeder is niet of mild aangedaan omdat zij ook nog een gezondX-chromosoom draagt. Een man met een X-gebonden aandoening zal deze nooit aan zijn zonen overdreagen. Hij geeft immers zijn Y-chromosoom aan zijn zonen. De dochter van een man met een X-gebonden aandoening is draagster van het defect, maar krijgtde ziekte niet. Een vrouwelijke draagster van een X-gebonden mutatie zal de mutatie aan de helft van de zonen doorgeven, die de ziekte krijgen, en de helft van de dochters, die op hun beurt draagster zijn van het gendefect.
Figuur 3

5. Duidelijkheid over erfelijkheid en herhalingsrisico in de familie

In veel situaties is de erfelijkheid duidelijk. Als in meerdere generaties van een gezin patiënten voorkomen, en zowel mannen en vrouwen zijn aangedaan, dan zal de overerving in de regel dominant zijn. Als patiënten maar in 1 generatie voorkomen, dan gaat het meestal om recessieve overerving. Het wordt lastig als maar één patiënt is aangedaan of alleen maar mannen zijn aangedaan in één generatie. Is de overerving recessief of X-gebonden of kan het allebei?
Stel er is nog een kinderwens. Wat is de kans voor een volgend kind om de aandoening te krijgen?
Het kan gaan om recessieve overerving: beide ouders dragen één mutatie; de kans dat een volgend kind is aangedaan is dan 25%. Het kan ook een X-gebonden defect zijn: de moeder is drager van een recessief defect maar heeft ook een gezond gen en heeft dande aandoening niet. Bij een volgend mannelijk kind is de kans 50% dat deze de aandoening krijgt; bij een vrouwelijk kind is de kans 0% dat zij de aandoening krijgt, maar 50% dat zij een gezonde draagster is van de mutatie. Soms kan het ook om dominante overerving gaan omdat er van de patiënt geen familiegegevens bekend zijn (bv. adoptie).

6. Conclusie:

Om een onderscheid te kunnen maken tussen de vormen van overerving en herhalingsrisico’s is opsporing van het gendefect, dat aan de aandoening ten grondslag ligt, noodzakelijk.
Tekst jan 2010/HB

Terug naar boven

Bijgewerkt op zondag 14 februari 2010 © NVBS Retina Belangen